Eén ingang voor spoedhulp
Twente en Friesland over het organiseren (én de meerwaarde) van een centraal crisiscoördinatiepunt
24 maart 2026
Twente en Friesland zijn twee voorbeelden van regio’s waar de toegang tot spoedhulp voor kinderen, jongeren en gezinnen centraal is georganiseerd. Bij een crisis is één telefoontje voldoende om de situatie te laten beoordelen en passende hulp te organiseren. Via een crisiscoördinatiepunt dat 24 uur per dag bereikbaar is, bepalen ervaren professionals welke hulp nodig is en welke organisatie die het best kan bieden.
In dit artikel lichten Jeroen Wevers (teamcoördinator ASH bij Curess, Twente), Bonnie Weerkamp (Jarabee, betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het crisiscoördinatiepunt Twente), Jenny Klijnsma (voormalig manager Veilig Thuis Friesland, betrokken bij Spoed4Jeugd Friesland) en Annemarie Spijksma (teamleider Ambulant en crisis bij Jeugdhulp Friesland) aan de hand van 6 vragen toe hoe zo’n centraal punt in de praktijk werkt.
1. Waarom één ingang?
Voor de komst van één centrale toegang moesten verwijzers in Twente en Friesland vaak zelf op zoek naar passende hulp. Dat betekende contact leggen met verschillende organisaties om te kijken wie beschikbaar was en wie een situatie kon oppakken.
Jenny vertelt dat crisismeldingen daardoor soms tussen organisaties bleven liggen. Van wie moest dit zijn en wie ging erop af? Die tijd heb je volgens haar in een crisissituatie niet. Daarom werd in Friesland Spoed4Jeugd ingericht: één nummer waar zowel professionals als inwoners dag en nacht terechtkunnen.
Ook in Twente zagen organisaties dat verwijzers veel tijd kwijt waren met zoeken naar passende hulp. Bonnie vertelt dat verwijzers soms lang bezig waren met rondbellen om te kijken wie plek had en wat passend was. Door het Coördinatiepunt Spoedhulp Jeugd Twente kan sneller worden bepaald wat nodig is en welke aanbieder dat kan oppakken.
2. Hoe werkt zo’n centrale toegang in de praktijk?
In Twente zijn zeven jeugdhulpaanbieders aangesloten bij het coördinatiepunt. Het telefoonteam verzorgt de triage en bepaalt welke aanbieder het best aansluit bij de hulpvraag. In dit team zitten ervaren crisisprofessionals van Jarabee en Ambiq (die deel uitmaken van de aanbieders).
Omdat meerdere aanbieders zijn aangesloten, wordt niet alleen gekeken naar beschikbaarheid maar ook naar expertise. Organisaties hebben bijvoorbeeld ervaring met systemisch werken, LVB-problematiek of cultuur- en taalsensitieve hulpverlening.
Jeroen legt uit dat het coördinatiepunt eerst goed kijkt wat er werkelijk nodig is. Als iemand belt met de vraag om een bed, vragen de professionals die de triage doen goed door op wat er aan de hand is. Regelmatig blijkt dat een bed niet nodig is, maar dat ambulante spoedhulp wordt ingezet.
Daarnaast helpt het volgens hem ook dat aanbieders vanuit het coördinatiepunt complete aanmeldingen ontvangen. Doordat informatie vooraf goed wordt verzameld, kan een traject sneller starten en hoeft informatie niet opnieuw te worden uitgezocht.
In Friesland werkt Spoed4Jeugd vanuit een vergelijkbaar uitgangspunt: eerst beoordelen, dan handelen. De eerste triage ligt bij Veilig Thuis, waarna gedragswetenschappers meedenken over de inzet. Daarna kan hulp snel starten. Annemarie vertelt dat de beschikking en eventuele administratieve stappen daarna volgen, zodat hulp niet hoeft te wachten.
‘Als een verwijzer belt met: ‘ik heb een bed nodig’, vragen we eerst goed door. Vaak blijkt dat de crisis ambulant kan worden opgepakt.’
3. Wat levert één toegang inhoudelijk op?
Volgens de betrokkenen helpt een centraal coördinatiepunt vooral om eerder duidelijk te krijgen welke hulp het best past bij de situatie.
In Twente helpt het gezamenlijke overzicht van expertise om gerichter te kijken naar wat nodig is. Bonnie geeft aan dat het helpt als je weet waar organisaties goed in zijn, omdat je dan beter kunt bepalen wie een casus het best kan oppakken.
Jeroen merkt dat hierdoor soms andere keuzes worden gemaakt dan aanvankelijk wordt gevraagd. Regelmatig blijkt ambulante spoedhulp een passende eerste stap, waar eerder aan een opname werd gedacht. Ook wordt voorkomen dat meerdere aanbieders na elkaar betrokken raken, omdat het coördinatiepunt zicht heeft op eerdere meldingen.
In Friesland zit de opbrengst volgens Annemarie vooral in snelheid en duidelijkheid voor gezinnen. Zij ziet dat hulpverleners snel bij een gezin kunnen kijken wat nodig is en dat de eerste inschatting meestal goed aansluit bij wat daarna nodig blijkt.
4. Wat levert het organisatorisch op?
Verwijzers hoeven niet meer zelf te zoeken naar een ingang. Bonnie ziet dat dit vooral tijd scheelt: verwijzers weten sneller waar ze aan toe zijn en wie de hulp oppakt.
In Twente levert de gezamenlijke toegang ook meer inzicht op in het zorgaanbod. Jeroen merkt dat organisaties daardoor beter zicht krijgen op elkaars rol en expertise. Daarnaast ontstaat door gezamenlijke data meer inzicht in bredere patronen, bijvoorbeeld in wanneer er in het jaar de meeste crisissen zijn. Zo is het in Twente in de maand maart vaak erg druk; organisaties kunnen daarop anticiperen.
In Friesland zit de opbrengst eveneens in de samenwerking tussen organisaties. Door vaste overleggen, intervisie en gezamenlijke bijeenkomsten leren professionals elkaar beter kennen. Jenny vertelt dat eens per twee jaar een gezamenlijk ontbijt wordt georganiseerd met tientallen betrokken professionals om ervaringen uit te wisselen en contact te houden.
‘Als je de bal krijgt toegespeeld, neem je hem aan. Evalueren doen we achteraf.’
5. Wat vraagt dit van samenwerking?
Volgens de betrokkenen vraagt één punt vooral om vertrouwen en duidelijke afspraken.
In Friesland is bijvoorbeeld afgesproken dat tijdens een crisis niet wordt gediscussieerd over verantwoordelijkheden. Volgens Jenny is het uitgangspunt dat als je de bal krijgt toegespeeld, je hem aanneemt. Evalueren komt daarna.
Ook helpt het dat professionals elkaar kennen en elkaar makkelijk benaderen. Annemarie geeft aan dat korte lijnen belangrijk zijn en dat contact snel wordt gelegd wanneer dat nodig is. Ofwel: als Jenny of een andere collega van Spoed4Jeugd belt, neemt ze op, ook als ze in een overleg zit.
Bonnie geeft aan dat ze in Twente ziet hoe het coördinatiepunt eraan bijdraagt dat er wordt samengewerkt vanuit het belang van jongeren en niet vanuit concurrentie.
6. Welke tips hebben jullie voor andere regio’s?
Voor regio’s die geïnteresseerd zijn in het organiseren van een gelijksoortig crisiscoördinatiepunt, volgt uit de ervaringen uit Twente en Friesland een aantal uitgangspunten, dat daarbij kan helpen:
💡 Begin met partners die dit samen willen organiseren.
Een centraal coördinatiepunt voor spoed vraagt vertrouwen in elkaar en de bereidheid om samen verantwoordelijkheid te nemen.
💡 Leg duidelijke werkafspraken vast.
Bijvoorbeeld over triage, bereikbaarheid en de snelheid waarmee hulp moet starten.
💡 Zorg dat triage bij ervaren professionals ligt.
De eerste beoordeling bepaalt in belangrijke mate het vervolg.
💡 Zorg dat organisaties elkaars expertise kennen.
Dit helpt om sneller passende hulp te organiseren en draagt bij aan het gevoel van samen één zorgveld te zijn, in plaats van (alleen) concurrenten.
💡 Investeer in regelmatig contact.
Door structureel overleg en gezamenlijke casuïstiekbesprekingen blijven lijnen kort.
💡 Geef de samenwerking tijd om te groeien.
Jeroen benadrukt tot slot dat het helpt om gewoon te beginnen:
‘Ga met elkaar en met gemeenten om tafel en kijk wat nodig is. Van daaruit kun je het stap voor stap opbouwen.’

Meer weten?
➡️ Lees verder over SEJN en Ambulante Spoedhulp.
➡️ Heb je een vraag? Neem contact op met sejn@piresearch.nl.

